Ga naar de inhoud Ga naar het zoeken Ga naar het menu
Logo van Gemeente Vlissingen

Havenreglement ZEELAND SEAPORTS 2018

Originele publicatie downloaden:
Link naar originele publicatie:
Type bekendmaking:
Verordeningen
Publicatiedatum:
donderdag 21 december 2017





Havenreglement ZEELAND SEAPORTS 2018

 

Het Dagelijks Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Zeeland Seaports, gelezen het voorstel d.d. 6 december 2017.

gelet op de artikelen 2.1 en 10.1 van de Havenverordening Zeeland Seaports 2018;

overwegende dat het ten behoeve van het beheer van de beheersgebied Zeeland Seaports wenselijk is nadere regels te stellen;

besluit vast te stellen:

Het navolgende reglement met betrekking tot het gebruik van de havens en andere bevaarbare wateren waarvan de naamloze vennootschap Zeeland Seaports (NV ZSP) het beheer uitvoert.

Havenreglement Zeeland Seaports

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In dit reglement en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    ADN: Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren;

  • b.

    afvalstoffen: scheepsafval, ladingresiduen, vloeibare of vaste afvalstoffen die ontstaan bij het schoonmaken van een schip;

  • c.

    Algemeen Bestuur: het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling Zeeland Seaports;

  • d.

    bedrijfsmatig vervoer:

    • i.

      vervoer in de uitoefening van een bedrijf of beroep;

    • ii.

      vervoer van goederen, uitsluitend bestemd voor of afkomstig van de eigen onderneming; of

    • iii.

      slepen en duwen van schepen met sleep-, duw- en sleepduwboten;

  • e.

    behandelen van een gevaarlijke stof: laden, lossen, intern verpompen, verplaatsen, mengen, blenden of schoonmaken van een gevaarlijke stof, met uitzondering van onderling overpompen of terugpompen van bunkerolie of LNG-brandstof, het bunkeren of het LNG-bunkeren;

  • f.

    beheersgebied: het gebied van de Gemeenschappelijke Regeling ZSP waar de NV ZSP conform de aan haar opgedragen taak het beheer voert.

  • g.

    bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken: bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Scheepvaartverkeerswet;

  • h.

    binnenschip: schip, niet zijnde een zeeschip;

  • i.

    binnen tankschip: binnenschip, gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn ladingtanks;

  • j.

    boeienspan: ligplaats met het kenmerk dat het schip vanaf het voor- of achterschip op een of meer boeien of palen kan afmeren, waarbij het schip gemeerd ligt zonder enig contact met overige havenafmeervoorzieningen;

  • k.

    bootliedenorganisatie: een (door het Dagelijks Bestuur erkende) organisatie van bootlieden die activiteiten verricht ter waarborging van de vakbekwaamheid van bootlieden en zorg draagt voor het vereiste materieel;

  • l.

    bootman: degene die in de uitoefening van zijn beroep een zeeschip vast- of losmaakt;

  • m.

    brandbare vloeistoffen: vloeistoffen met een vlampunt dat lager ligt dan of gelijk is aan 100 graden Celsius en uitsluitend een brandbare eigenschap heeft;

  • n.

    brandstofolie: elke olie die wordt gebruikt als brandstof voor de voortstuwings- of hulpwerktuigen van schepen;

  • o.

    bunkercontrolelijst: bunkercontrolelijst waarin uitsluitend de onderdelen zijn overgenomen zoals die staan in de Bunkering Safety Checklist van de ISGOTT;

  • p.

    bunkeren: overslag van brandstofolie of smeerolie van een bunkerschip naar een zeeschip;

  • q.

    bunkerolie: brandstofolie of smeerolie;

  • r.

    bunkerschip: tankschip gebruikt voor het bevoorraden van schepen met bunkerolie;

  • s.

    combinatietankschip: zeeschip, ingericht om afwisselend onverpakte vloeibare lading of droge lading te kunnen vervoeren;

  • t.

    communicatievaren: tegen vergoeding vervoeren van personen van en naar zeeschepen;

  • u.

    Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling Zeeland Seaports;

  • v.

    dampen: de atmosfeer die boven een vloeistof aanwezig is als gevolg van een bepaalde dampdruk van die vloeibare stof;

  • w.

    dampretourleiding: dampdrukvereffeningsysteem tussen de bij de directe overslag betrokken ladingtanks waardoor de overslag emissieloos plaatsvindt;

  • x.

    dienstverlenend schip: elk schip betrokken bij dienstverlening aan een in een petroleumhaven gelegen schip, verband houdend met repareren, schoonmaken, brengen of halen van voorraden of scheepsonderdelen of ophalen van afvalstoffen, en dat voldoet aan de door het Dagelijks Bestuur te stellen voorschriften inzake de bouw, de inrichting en de uitrusting van het schip;

  • y.

    droogmaken: openstaande ladingtanks laten drogen of ventileren nadat deze met water zijn gewassen of op een andere wijze voldoende zijn schoongemaakt;

  • z.

    eetbare oliën: oliën of vetten die gewonnen worden uit zaden of vruchten van planten of bomen of oliën en vetten van dierlijke oorsprong;

  • aa.

    exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip;

  • ab.

    exploitant van een boeienspan of een palenligplaats: eigenaar, beheerder of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van een boeienspan of een palenligplaats;

  • ac.

    gasdeskundige: een gasdeskundige die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

  • ad.

    gevaarlijke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de IMO code voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen over zee (IMDG Code), de code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (IBC Code), met uitzondering van de stoffen die enkel (milieu)vervuilend zijn en die geen giftige of brandbare eigenschappen hebben, de internationale code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (IGC Code), de IMSBC Code en de bijlage bij het ADN, met uitzondering van eetbare oliën;

  • ae.

    GR ZSP: het openbaar lichaam Zeeland Seaports, zijnde een gemeenschappelijke regeling tussen de provincie Zeeland en de gemeenten Vlissingen, Borsele en Terneuzen;

  • af.

    haven(s): de wateren binnen de grenzen van het havengebied die voor de scheepvaart openstaan, alsmede alle tot de haven behorende kunstwerken, de scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven, los- en laadplaatsen en alle daartoe behorende en (mede) daaronder begrepen kaden, aanlegsteigers, meerpalen, boeien en andere soortgelijke werken of inrichtingen;

  • ag.

    havenverordening: Havenverordening Zeeland Seaports 2018;

  • ah.

    havengebied: het beheersgebied

  • ai.

    havenmeester: de havenmeester van de NV Zeeland Seaports (NV ZSP);

  • aj.

    IBC Code: International Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk van IMO of Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk van IMO;

  • ak.

    IGC Code: International Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Liquefied Gases in Bulk van IMO of Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Liquefied Gases in Bulk van IMO;

  • al.

    IMSBC Code: International Maritime Solid Bulk Cargoes Code;

  • am.

    IMO: Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties;

  • an.

    Inerte atmosfeer; een atmosfeer in een ladingtank of slobtank waarin het zuurstofgehalte is verminderd tot ten hoogste 8 volumeprocent door het toevoegen van een inert gas onder positieve druk;

  • ao.

    inrichting: inrichting als bedoeld in de Wet Milieubeheer

  • ap.

    ISGINT: International Safety Guide for Inland Navigation Tank barges and Terminals;

  • aq.

    ISGOTT: International Safety Guide for Oiltankers and Terminals;

  • ar.

    kapitein: degene die de feitelijke leiding over een zeeschip voert;

  • as.

    ladingresiduen: de restanten van lading in ruimen of tanks aan boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met inbegrip van ladingrestanten na lading of lossing en/of morsingen buiten de ruimen of tanks aan boord;

  • at.

    LNG-aangedreven schip: schip dat gebruik maakt of mede gebruik maakt van LNG-brandstof voor voortstuwing;

  • au.

    LNG-brandstof: LNG ( Liquefied Natural Gas) dat wordt gebruikt als brandstof voor de voortstuwing of hulpbedrijf van een schip;

  • av.

    LNG-bunkeren: aan boord van een schip brengen van LNG-brandstof of aardgas brandstof voor eigen gebruik op het schip;

  • aw.

    LNG-bunkerschip: tankschip gebruikt voor het LNG-bunkeren;

  • ax.

    MARPOL: International Convention for the Prevention of Pollution from Ships;

  • ay.

    NV ZSP: de naamloze vennootschap N.V. Zeeland Seaports.

  • az.

    ontvangstvoorziening: voorziening geschikt voor de ontvangst van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen;

  • ba.

    open vuur: vuur, vonkvorming en elk oppervlak binnen een afstand van 25 meter van een gevaarlijke stof, dat een temperatuur heeft die gelijk is aan of hoger dan de minimum-ontstekingstemperatuur van die stof;

  • bb.

    overslag: laden of lossen van lading in of uit een schip;

  • bc.

    palenligplaats: ligplaats met het kenmerk dat het schip tegen en aan daarvoor bestemde palen kan afmeren, waarbij het schip gemeerd ligt zonder enig contact met overige havenafmeervoorzieningen;

  • bd.

    passagiersschip: elk schip dat is ingericht voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers en dat in het bezit is van toereikende en geldige certificaten;

  • be.

    personenvervoer: tegen vergoeding vervoeren van personen;

  • bf.

    petroleumhaven: de daartoe aangewezen gedeelten van de havens ingericht voor de afhandeling van een tankschip met onverpakte gevaarlijke vloeibare lading;

  • bg.

    plaatsgebonden risico: plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder o, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

  • bh.

    RMCS: Regeling Meldingen en Communicatie Scheepvaart;

  • bi.

    schadelijke stoffen: stoffen die als zodanig bij of krachtens de Wet voorkoming verontreiniging door schepen zijn aangewezen of worden genoemd;

  • bj.

    scheepsafval: afval, met inbegrip van residuen, niet zijnde ladingresiduen, en sanitair afval, dat ontstaat tijdens de bedrijfsvoering van een schip en dat valt onder de reikwijdte van bijlagen I, IV, V en VI van het MARPOL-verdrag, alsmede ladinggebonden afval, zijnde al het materiaal dat aan boord bij de stuwage en verwerking van de lading als afval overblijft, waaronder in ieder geval begrepen wordt stuwmateriaal, schoorpalen, laadborden, verpakkingsmateriaal, houten platen, papier, karton, draad of stalen banden;

  • bk.

    schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting;

  • bl.

    schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert;

  • bm.

    schoonmaakcertificaat: door een gasdeskundige afgegeven certificaat, waaruit blijkt dat de ruimten binnen de ladingzone van een schip die ladingresten van een onverpakte gevaarlijke stof bevatten of laatstelijk hebben bevat, voldoende zijn schoongemaakt;

  • bn.

    schoonmaakschip: schip dat ingericht is om ruimten, tanks of andere plaatsen aan boord van een ander schip, die schadelijke of gevaarlijke stoffen bevatten, schoon te maken;

  • bo.

    schoonmaken: elke handeling die gericht is op of verband houdt met het gasvrij, schoon-, of droogmaken van een tankschip;

  • bp.

    sjorbedrijf: bedrijf dat zich beroepsmatig bezighoudt met sjorren en dat is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

  • bq.

    sjorder: degene die containers aan boord van zeeschepen sjort;

  • br.

    sjorren: zeevast zetten en losmaken van containers aan boord van een zeeschip;

  • bs.

    sloptank: tank aan boord van een schip bestemd voor het houden van al dan niet met water vermengde ladingrestanten van schadelijke, brandbare of andere gevaarlijke vloeistoffen (slops);

  • bt.

    smeerolie: elke vloeistof bestemd voor smering van machines aan boord van schepen;

  • bu.

    spudpaal: voorziening waarmee een schip zichzelf in de onderwaterbodem kan verankeren door middel van verticale meerpalen waarmee het schip zelf is uitgerust;

  • bv.

    tankschip: zee- of binnenschip, gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten;

  • bw.

    toestemming: vergunning, aanwijzing, erkenning, ontheffing of vrijstelling;

  • bx.

    vissen: het te water brengen, te water hebben, lichten of ophalen van vistuigen alsmede het op enigerlei andere wijze pogen om vis, schaal- en schelpdieren uit het water te bemachtigen.

  • by.

    veiligheidscontour: veiligheidscontour zoals vastgesteld in het Vaststellingsbesluit Veiligheidscontour industrieterrein Vlissingen-Oost gelegen in de gemeenten Borsele en Vlissingen

  • bz.

    vlampunt: vlampunt, bepaald met het toestel van Pensky-Martens;

  • ca.

    werkschip: elk schip dat onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de haveninfrastructuur, uitgezonderd een schip dat baggerwerkzaamheden uitvoert;

  • cb.

    woonconcentratie: een groep van zich bij elkaar op het land bevindende woningen;

  • cc.

    zeeschip: schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en elk schip dat is voorzien van een document - afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven - waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee.

Paragraaf 2 Petroleumhaven

Artikel 2.1 Aanwijzing Petroleumhaven

Als petroleumhaven worden de volgende gebieden aangewezen:

Vlissingen: Total Zeesteiger:

Een strook die grenst aan de zuidkant van de dijk en begint bij het licht, parallel loopt aan de dijk in noord/westelijke richting en eindigt 60 meter voorbij het afbuigen van de dijk, met een lengte van 750 meter en een breedte van 250 meter. De zuidelijke grens loopt parallel op 93 meter aan de kop van de steiger.

Vlissingen: Van Cittershaven:

Het water dat grenst aan de noord/oost en zuid/oostelijke waterkering en omsloten wordt door de denkbeeldige lijnen getrokken vanaf de noord/oost waterkering naar de eerste meerpaal, parallel lopend aan de noord/oost waterkering tot het snijpunt van de denkbeeldige lijn ter hoogte van de Total steiger 1 parallel aan de zuid/oost waterkering. Deze lijn in zuid/westelijke richting voor 110 m volgend tot het snijpunt van deze denkbeeldige lijn met de lijn parallel aan de Total steiger 6/7 op een afstand van 50 m ten zuid/westen tot aan de zuid/oostelijke waterkering.

Vlissingen: Quarleshaven:

Het gebied van de haven ten zuiden van de denkbeeldige lijnen gevormd door de punten A(51°27‟55”,90; 0342‟37”,20), B(51°28‟00”,44; 0342‟38”,33), C(51°28‟04”,45; 0342‟49”,19), D(51°28‟05”,09; 0342‟57”,74), E(51°28‟04”,41; 0343‟00”,30).

Vlissingen: Sloehaven:

Het water dat wordt omsloten door de kade/oever en de denkbeeldige lijn gevormd door de punten : A(51°27‟07”,38; 0340‟48”,15), B(51°27‟09”,74; 0340‟42”,67), C(51°27‟22”,49; 0340‟56”,76), D(51°27‟20”,08; 0341‟02”,34). De totale lengte bedraagt 479 meter en de breedte varieert van 131 meter in het noord-oosten tot 128.5 meter in het zuid-westen.

Vlissingen: Sloeboeien, Quarlesboeien en RoRopalen:

Het gebied bestaande uit een strook water van 40 meter rondom een direct en indirect aan de boeien of palen afgemeerd tankschip dat een gevaarlijke stof, met uitzondering van een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger, als lading of ladingresidu aan boord heeft;

Terneuzen: Braakmanhaven:

Het water omsloten door de dijken ten zuiden van de denkbeeldige lijn getrokken tussen de oeverpunten A(51°20‟52”,63; 0345‟27”,58), B(het groene havenvuur), C(het rode havenvuur) en D(51°21‟00”,82; 0346‟16”,60). De containerkade in het zuid-westen hiervan uitgezonderd;

Terneuzen: Dow Scheldesteiger:

Het gebied dat is beschreven door de denkbeeldige lijn aansluitend op de dijk getrokken tussen de punten A(51°20‟59”,16; 0347‟05”,48), B(51°21‟06”,10; 0347‟07”,89), C(51°21‟03”,36; 0347‟28”,08), D(51°20‟56”,17; 0347‟25”,59.

Sluiskil: Steigers Yara Sluiskil:

Het water dat wordt omsloten door de kade/oever en de denkbeeldige lijn gevormd door de punten: A(51°16‟38”,88; 0350‟32”,54), B(51°16‟37”,94; 0350‟29”,68), C(51°16‟16”,32; 0350‟47”,66), D(51°16‟17”,68; 0350‟51”,80). De totale lengte bedraagt 753 meter en de breedte varieert van 62 meter in het noord-westen tot 90 meter in het zuid-oosten.

Sluiskil: Palen Autrichehaven

Het gebied bestaande uit een strook water van 40 meter rondom een direct en indirect aan de palen afgemeerd tankschip dat een gevaarlijke stof, met uitzondering van een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger, als lading of ladingresidu aan boord heeft;

Overzichtskaarten van de genoemde gebieden zijn opgenomen in bijlage 1 a tot en met h van dit reglement.

Paragraaf 3 Stank of hinder veroorzakende stoffen

Artikel 3.1 Stank of hinder veroorzakende stoffen

Als stank of hinder veroorzakende stoffen of stoffen die aanvullende risico beheersende maatregelen behoeven, als bedoeld in artikel 4.1 van de Havenverordening Zeeland Seaports 2018 worden aangewezen:

Stofnaam

V.N.-nummer

benzeen

1114

benzeenhoudende mengsels met meer dan 10% benzeen

meerdere V.N. nummers mogelijk

Ethylacrylaat

1917

formaldehyde solution

1198 of 2209

Iso-butylacrylaat

2527

Iso-butyraldehyde

2045

Iso-propylamine

1221

Methylacrylaat

1919

n-butylacrylaat

2348

n-butyraldehyde

1129

propylene oxide

1280

styrene

2055

terpentijn

1299

Paragraaf 4 Dienstverlening

Artikel 4.1 Bouw- en uitrustingsvoorschriften dienstverlenend-, werk- of passagiersschip

Een dienstverlenend schip, een werkschip of een passagiersschip, dat zich in een petroleumhaven bevindt, heeft:

  • i.

    een casco dat volledig uit onbrandbaar materiaal bestaat;

  • i.

    een elektrische installatie die erkend veilig is uitgevoerd;

  • ii.

    een vonkenvanger op de uitlaatgassenleiding van een verbrandingsmotor;

  • iii.

    verwarming-, kook- en koeltoestellen die werken op elektriciteit of een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger;

  • iv.

    aan dek een goed zichtbaar bord geplaatst, krachtens artikel 3.32 van het Binnenvaartpolitiereglement met de strekking dat roken en open vuur verboden is;

  • v.

    een accommodatie die voldoende bescherming biedt tegen het binnendringen van gevaarlijke gassen, en;

  • vi.

    tijdens het verblijf in de petroleumhaven een in werking zijnde marifooninstallatie, waarop voortdurend op het betreffende VHF havenkanaal wordt uitgeluisterd.

Artikel 4.2 Aanwijzing van bedrijven met ontvangstvoorzieningen

  • 1.

    Bij de aanvraag van een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.10 van de Havenverordening worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      gegevens van het bedrijf van de aanvrager en de naam en functie van de aanvrager;

    • b.

      een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van het desbetreffende bedrijf;

    • c.

      de relevante bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht afgegeven vergunningen en ontheffingen;

    • d.

      de gegevens van de in te zetten ontvangstvoorzieningen die onder de werking van de vergunning vallen, waaronder ten minste de capaciteit en de geschiktheid ervan; en

    • e.

      de soorten schadelijke stoffen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen, waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur kan voorschriften en beperkingen verbinden aan deze aanwijzing, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    • f.

      de soort ontvangstvoorzieningen;

    • g.

      geschiktheid en beschikbaarheid van de ontvangstvoorzieningen;

    • h.

      de verplichting tot het in ontvangst nemen van scheepsafvalstoffen;

    • i.

      de soorten stoffen waarvoor de aanwijzing geldt;

    • j.

      het meedelen van het tarief van de kosten die in rekening worden gebracht aan schepen die scheepsafvalstoffen afgeven;

    • k.

      melden van ontvangst van scheepsafvalstoffen en het verstrekken van gegevens daaromtrent;

    • l.

      de maximale verblijfsduur van de ontvangen stoffen in de ontvangstvoorzieningen en het verstrekken van gegevens en houden van registratie daaromtrent;

    • m.

      het afleveren van de ontvangen stoffen.

  • 3.

    Een aanwijzing wordt voor maximaal 5 jaar verleend.

Artikel 4.3 Schoonmaakschepen en inzamelvaartuigen

  • 1.

    Indien het schoonmaken van een schip dat gevaarlijke of schadelijke stoffen bevat geschiedt door een schoonmaakschip worden afvalstoffen aan boord van het schoonmaakschip genomen.

  • 2.

    Het is verboden om aan boord van het schoonmaakschip in de ladingtanks of -ruimen andere stoffen te hebben dan afvalstoffen.

  • 3.

    Water dat is verontreinigd met afvalstoffen en wordt gebruikt voor het schoonmaken door een schoonmaakschip wordt betrokken van een daartoe ingerichte voorraadtank van het schoonmaakschip.

  • 4.

    Hergebruikt water uit en via de voorraadtank, bedoeld in het derde lid, wordt gezuiverd door een doelmatige filterinstallatie.

  • 5.

    Ruimten van het schoonmaakschip waarin afvalstoffen worden vervoerd zijn met nummer aangegeven op een algemeen of capaciteitsplan. Een afschrift van dit plan bevindt zich aan boord van het schoonmaakschip.

  • 6.

    De constructie van tanks van het schoonmaakschip waarin vloeibare afvalstoffen worden vervoerd is zodanig dat de inhoud van de tanks eenvoudig gemeten en gemonsterd kan worden.

  • 7.

    Aan boord van een schoonmaakschip of een inzamelvaartuig genomen vloeibare, vaste of verpakte scheepsafvalstoffen worden vermeld op een daartoe strekkend stoffenregistratieformulier waarvan een model is opgenomen in een bijlage van de vergunning als bedoeld in artikel 10.48 van de Wet milieubeheer voor het inzamelen van scheepsafvalstoffen.

  • 8.

    De formulieren, bedoeld in het zesde lid, worden direct na ontvangst van deze stoffen, conform de toelichting van het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend.

  • 9.

    De exploitant van het schoonmaakschip of inzamelvaartuig zorgt dat de ingevulde en ondertekende formulieren, bedoeld in het zesde lid, uiterlijk 8 dagen na afloop van de kalendermaand waarin de ontvangst of ontstaan van de afvalstoffen heeft plaatsgevonden in het bezit zijn van de havenmeester en bewaart de exploitant de afschriften van de volledig ingevulde en ondertekende formulieren ten minste 6 maanden aan boord van het schoonmaakschip.

  • 10.

    Tenzij bij of krachtens de geldende milieuwetgeving anders is bepaald, geeft de exploitant de in ontvangst genomen afvalstoffen binnen 30 dagen af aan een bedrijf dat beschikt over een toereikende vergunning voor het bewaren, bewerken of verwerken van afvalstoffen.

Artikel 4.4 Erkenning bootliedenorganisatie

Het Dagelijks Bestuur verleent een erkenning voor een bootliedenorganisatie, indien deze:

  • a.

    voorzien is van een geldig ISO 9001, 9002 of daarmee vergelijkbaar certificaat;

  • a.

    beschikt over ten minste één continu bereikbaar meldpunt waar bootlieden kunnen worden besteld;

  • b.

    aantoont dat regelmatig overleg plaatsvindt met nautische dienstverleners in de haven omtrent de werkwijze en procedures bij meren en ontmeren;

  • c.

    aantoont dat, om de continuïteit van de adequate dienstverlening te waarborgen, wordt voldaan aan de mogelijkheid om in volcontinudienst, per uur, ten minste 3 zeeschepen afzonderlijk, in verschillende situaties voor wat betreft afmeting, scheepstype en locatie, te kunnen meren of ontmeren, met behulp van daartoe gekwalificeerd personeel, en;

  • d.

    aan de bootlieden een legitimatiebewijs wordt verstrekt dat is voorzien van een goedgelijkende pasfoto en dat ten minste vermeldt:

    • i.

      de naam, geboorteplaats en geboortedatum van de bootman;

    • ii.

      met goed gevolg de opleiding bootman behaalt als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder a, met vermelding van datum van diplomaverstrekking, en;

    • iii.

      de naam van de bootliedenorganisatie waarbij de bootman is aangesloten.

Artikel 4.5 Beroep en verplichtingen bootman

  • 1.

    Het beroep van bootman mag uitsluitend worden uitgeoefend door degene die:

    • a.

      de opleiding Bootman, als opgenomen in het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld dossier, onder toekenning van registratiecode CREBO-25512 met goed gevolg heeft afgesloten, of;

    • b.

      in de afgelopen zeven aansluitende kalenderjaren ten minste vier jaar ervaring heeft opgedaan als zelfstandig bevoegd bootman in een of meer havens binnen de Europese Unie, en degene:

      • i.

        in een haven die met de Vlissingse dan wel Terneuzense havensituatie te vergelijken is, ervaring heeft met het meren en ontmeren op boeien, op ruim water met hoge golfslag en op sterk stromend getijdenwater;

      • ii.

        de Nederlandse taal voldoende machtig is, en;

      • iii.

        naar het oordeel van de erkende bootliedenorganisatie waar hij te werk gesteld wordt of werkzaam is, een gelijkwaardig niveau van kennis en vaardigheden zeker is gesteld, en;

    • c.

      is aangesloten bij een erkende bootliedenorganisatie als bedoeld in artikel 4.4

  • 2.

    De bootman is tijdens de werkzaamheden voorzien van een geldig legitimatiebewijs, als bedoeld in artikel 4.4, onder e, en toont het op verzoek van personen of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken.

Artikel 4.6 Erkenning sjorbedrijf

Het Dagelijks Bestuur verleent een erkenning voor een sjorbedrijf, indien het sjorbedrijf:

  • a.

    24 uur per dag, 7 dagen per week zijn diensten aanbiedt en in staat is ten minste één zeeschip te behandelen in de door de rederij of de stuwadoor beschikbaar gestelde tijd;

  • a.

    in bezit is van een ISO 9002 certificaat of aantoont dat het daarover binnen afzienbare termijn beschikt;

  • b.

    ervoor zorg draagt dat de onder zijn verantwoordelijkheid werkende sjorders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.7, voldoende vakbekwaam, betrouwbaar en herkenbaar zijn, en;

  • c.

    aan de sjorders een legitimatiebewijs verstrekt dat is voorzien van een goedgelijkende pasfoto en dat ten minste vermeldt:

    • i.

      de naam, geboorteplaats en geboortedatum van de sjorder, en;

    • ii.

      de naam van het sjorbedrijf waar de sjorder in dienst is.

Artikel 4.7 Verplichtingen sjorders

  • 1.

    De sjorder beschikt bij indiensttreding bij een erkend sjorbedrijf over een verklaring omtrent het gedrag.

  • 2.

    Het beroep van sjorder kan uitsluitend worden uitgeoefend door degene die de opleiding Medewerker Havenoperaties, als opgenomen in het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld dossier, onder toekenning van registratiecode CREBO-93070, met goed gevolg heeft afgesloten.

  • 3.

    De sjorder is tijdens de sjorwerkzaamheden voorzien van het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 4.6 onder d.

  • 4.

    De sjorder toont het legitimatiebewijs op verzoek van personen of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken.

Paragraaf 5 Meldingen

Artikel 5.1 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen

  • 1.

    Degene door wiens toedoen een voorwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt, draagt ervoor zorg dat:

    • a.

      daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester, en;

    • b.

      de stof of het voorwerp onmiddellijk wordt verwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is.

  • 2.

    De meldingen, bedoeld in het eerste lid vinden plaats per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal.

Artikel 5.2 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade

  • 1.

    Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken voor het schip of de omgeving, worden direct aan de havenmeester gemeld.

  • 2.

    De meldingen, bedoeld in het eerste lid vinden plaats per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal.

Artikel 5.3 Melding schade aan haveninfrastructuur

Indien een schip schade aan de haveninfrastructuur heeft veroorzaakt, moet de kapitein of schipper of loods daarvan onverwijld kennis geven aan de havenmeester.

Artikel 5.4 Melding gebruik ankers

Het voornemen om een anker te gebruiken als bedoeld in artikel 3.15 van de Havenverordening wordt gemeld per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal.

Artikel 5.5 Melding verrichten van werkzaamheden

  • 1.

    Indien een schip geen ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of herstellingsinrichting die beschikt over een vergunning ingevolge de geldende milieuregelgeving worden voorafgaand aan de in artikel 4.7 van de verordening bedoelde werkzaamheden, de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      de naam en roepnaam van het schip;

    • b.

      de ligplaats van het schip tijdens de werkzaamheden;

    • c.

      de datum, tijdstip van aanvang en duur van de werkzaamheden;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      de plaats of plaatsen aan boord waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • f.

      de uitvoerder van de werkzaamheden, en;

    • g.

      of het schip blijvend kan beschikken over zijn hoofdvoortstuwingsvermogen;

    • h.

      Bij LNG-aangedreven schepen de aan boord zijnde hoeveelheid LNG en de locaties van de LNG bunkertanks.

  • 2.

    De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats op elektronische wijze, op een door de havenmeester vast te stellen elektronisch adres en met gebruikmaking van een door de havenmeester vast te stellen berichtdefinitie en berichtprotocol.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kan een melding voor het verrichten van werkzaamheden buitenboord of onder een schip plaatsvinden per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail.

Artikel 5.6 Melding ligplaatsnemen bunkerschip en dienstverlenend schip

  • 1.

    Voorafgaand aan het ligplaats nemen om te bunkeren of een dienst te verlenen worden door de schipper van een bunkerschip of een dienstverlenend schip de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      de naam van het bunkerschip of dienstverlenend schip;

    • b.

      de namen van de schepen die gebunkerd worden of waaraan een dienst wordt verleend;

    • c.

      de voorgenomen ligplaats;

    • d.

      de uit te voeren werkzaamheden; en

    • e.

      de verwachte verblijfsduur.

  • 2.

    De melding, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal.

Artikel 5.7 Melding binnenvaren petroleumhaven

  • 1.

    Voorafgaand aan het binnenvaren van een petroleumhaven door een dienstverlenend schip, werkschip of een schip dat baggerwerkzaamheden uit gaat voeren, worden de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      De voorgenomen ligplaats;

    • b.

      De uit te voeren werkzaamheden; en

    • c.

      De verwachte verblijfsduur.

  • 2.

    De melding, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal.

Artikel 5.8 Melding ligplaats tankschip buiten petroleumhaven

  • 1.

    Voordat een binnentankschip als bedoeld in artikel 5.6 tweede lid, onderdeel a van de havenverordening of een zeetankschip als bedoeld in artikel 5.7 eerste lid onderdeel a en tweede lid van de havenverordening ligplaats neemt buiten een petroleumhaven, worden de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      indien het een binnenschip betreft de naam en het Rijnvaartnummer;

    • b.

      indien het een zeeschip betreft de naam en de roepnaam;

    • c.

      de voorgenomen ligplaats van het schip, en;

    • d.

      van de voorgenomen activiteiten aan boord van het schip:

      • i.

        de datum, het tijdstip van aanvang en de duur;

      • ii.

        de aard van de voorgenomen activiteiten.

  • 2.

    De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats op elektronische wijze, op een door de havenmeester vast te stellen elektronisch adres en met gebruikmaking van een door de havenmeester vast te stellen berichtdefinitie en berichtprotocol.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan een melding ook plaatsvinden per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail.

Artikel 5.9 Melding van overslag van gevaarlijke stoffen in bulk tussen tankschepen

  • 1.

    Voorafgaand aan de rechtstreekse, onderlinge overslag van een gevaarlijke of schadelijke stof in bulk tussen tankschepen als bedoeld in artikel 8.1 tweede en derde lid van de havenverordening, worden de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      De namen en roepnamen van de bij de overslag betrokken zeetankschepen;

    • b.

      De namen en ENI-nummers van de bij de overslag betrokken binnenvaarttankschepen;

    • c.

      De correcte technische naam en de hoeveelheid van het product dat overgeslagen wordt; en

    • d.

      Het tijdstip van aanvang en de verwachte duur van de rechtstreekse overslag.

  • 2.

    Na afloop van deze rechtstreekse overslag wordt het tijdstip van beëindiging aan de havenmeester gemeld.

  • 3.

    De melding, bedoeld in het eerst en tweede lid, worden gedaan door de kapitein of schipper van het schip dat rechtstreeks op een afmeerboei, aan afmeerpalen of een ligplaats is gemeerd.

  • 4.

    De meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid vinden plaats per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail.

Artikel 5.10 Melding bunkeren of overpompen van brandstofolie of smeerolie

  • 1.

    Ten minste 30 minuten en ten hoogste 6 uur voorafgaand aan het bunkeren of het onderling overpompen van bunkerolie tussen bunkerschepen, wordt, door de schipper van het brandstofolie pompende bunkerschip, aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      de ligplaats waar het bunkeren of overpompen zal plaatsvinden;

    • b.

      de soort en hoeveelheid brandstofolie die gebunkerd of gepompt gaat worden, en;

    • c.

      het tijdstip van aanvang van bunkeren of overpompen.

  • 2.

    Ten minste 30 minuten en ten hoogste 6 uur voorafgaand aan het terugpompen van brandstofolie van een zeeschip in een bunkerschip wordt, door de schipper van het brandstofolie ontvangende bunkerschip aan de havenmeester, gemeld:

    • d.

      de ligplaats waar het bunkeren of overpompen zal plaatsvinden;

    • e.

      de soort en hoeveelheid brandstofolie die gebunkerd of gepompt gaat worden, en;

    • f.

      het tijdstip van aanvang van bunkeren of overpompen.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur kan van het in het eerste en tweede lid gestelde vrijstelling verlenen.

  • 4.

    De melding bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail.

Artikel 5.11 Melding LNG-bunkeren

  • 1.

    Ten minste 30 minuten en ten hoogste 6 uur voorafgaand aan het LNG-bunkeren door een LNG-tankwagen wordt, door het LNG-aangedreven schip, aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      de ligplaats waar het LNG-bunkeren zal plaatsvinden;

    • b.

      de hoeveelheid LNG die gebunkerd gaat worden, en;

    • c.

      het tijdstip van aanvang van het LNG-bunkeren.

  • 2.

    Ten minste 30 minuten en ten hoogste 6 uur voorafgaand aan het terugpompen of het leegdrukken van LNG-brandstof, van een LNG-aangedreven schip naar een LNG-tankwagen of inrichting wordt aan de havenmeester gemeld:

    • d.

      de ligplaats waar het terugpompen of leegdrukken zal plaatsvinden;

    • e.

      de hoeveelheid LNG die gepompt of leeggedrukt gaat worden, en;

    • f.

      het tijdstip van aanvang van het overpompen of leegdrukken.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur kan van het in het eerste, tweede, derde en vierde lid gestelde ontheffing verlenen.

  • 4.

    De melding bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid vindt plaats per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail.

Artikel 5.12 Melding wassen of schoonmaken van ladingtanks

  • 1.

    Voor aanvang van het in paragraaf 9 van de havenverordening bedoelde wassen of schoonmaken van ladingtanks worden de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      de naam van het schip;

    • b.

      de nationaliteit en thuishaven van het schip;

    • c.

      de agent, reder of bevrachter van het schip;

    • d.

      de datum en het tijdstip van aanvang van wassen of schoonmaken;

    • e.

      de ligplaats gedurende wassen of schoonmaken;

    • f.

      de ruimten van het schip die worden gewassen of schoongemaakt;

    • g.

      de chemische of technische benaming van de stoffen die de schoon te maken ruimten bevatten of laatstelijk hebben bevat, en;

    • h.

      de methode van wassen of schoonmaken die wordt toegepast.

  • 2.

    De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats op elektronische wijze, op een door de havenmeester vast te stellen elektronisch adres en met gebruikmaking van een door de havenmeester vast te stellen berichtdefinitie en berichtprotocol.

  • 3.

    Indien het schoonmaken van ruimten van een binnentankschip betreft, vindt de melding per telefoon of marifoon op het daarvoor bestemde kanaal plaats.

  • 4.

    De melding, bedoeld in het eerste lid, is niet vereist indien het uitsluitend droogmaken betreft.

  • 5.

    Het tijdstip van aanvang van een volgens Marpol Annex II verplichte voorwas wordt ten minste 30 minuten en ten hoogste 2 uur voor aanvang van het voorwassen aan de havenmeester gemeld.

  • 6.

    De melding bedoeld in het vijfde lid vindt plaats per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, of per e-mail.

Artikel 5.13 Melding schoonmaken door schoonmaakschepen

  • 1.

    Voor aanvang van het schoonmaken door een schoonmaakschip worden de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      de naam van het schoonmaakschip;

    • b.

      de naam of het nummer van het schip waarvan de ruimten worden schoongemaakt;

    • c.

      de ligplaats waar het schoonmaken plaatsvindt;

    • d.

      de chemische of technische naam van de stof of stoffen die de schoon te maken ruimten bevatten of laatstelijk hebben bevat en welke ruimten het betreft, en;

    • e.

      de datum en het tijdstip van aanvang van het schoonmaken en de verwachte duur.

  • 2.

    De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon of per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail.

Artikel 5.14 Melding langszij afmeren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen

  • 1.

    Voorafgaand aan het langszij afmeren bij een tankschip met gevaarlijke stoffen door een dienstverlenend schip of een bunkerschip als bedoeld in artikel 8.2 van de Havenverordening wordt aan de havenmeester gemeld:

    • a.

      de voorgenomen ligplaats;

    • b.

      de uit te voeren werkzaamheden; en

    • c.

      de verwachte verblijfsduur.

  • 2.

    De melding, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze.

Artikel 5.15 Melding afzien gebruik diensten bootman

Het voornemen om af te zien van het gebruik van de diensten van een bootman als bedoeld in artikel 4.12, tweede lid, onder c, d en e, van de Havenverordening wordt ten minste één uur voorafgaand aan de aankomst of het vertrek gemeld op een door de havenmeester aan te geven wijze.

Paragraaf 6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekking oude reglement

Het Havenreglement Zeeland Seaports 2011, vastgesteld d.d. 8 december 2010, wordt ingetrokken.

Artikel 6.2 Overgangsrecht

  • 1.

    Toestemmingen die zijn verleend bij of krachtens een van de in artikel 13.1 havenverordening ingetrokken regelingen en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze nadere regels, worden aangemerkt als toestemmingen bij of krachtens deze nadere regels.

  • 2.

    Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze nadere regels een aanvraag om toestemming op grond van een van de in artikel 13.1 havenverordening ingetrokken regelingen is ingediend waarop nog niet is beslist wordt daarop deze nadere regels toegepast.

  • 3.

    Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om toestemming krachtens de in artikel 13.1 havenverordening ingetrokken regelingen wordt beslist met toepassing van deze nadere regels.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2018.

Artikel 6.4 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als “Havenreglement Zeeland Seaports 2018”.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur, gehouden op 6 december 2017

Voorzitter,

C.M.M. Schönknecht-Vermeulen,

Secretaris,

Drs. T.J. Kalverboer,

Bijlagen Havenreglement Zeeland Seaports 2018

Bijlage 1: a tot en met h: De kaarten houdende de aanwijzingen van petroleumhavens als bedoeld in artikel 2.1. van het Reglement.

Bijlage 1: a Vlissingen: Total Zeesteiger:

Een strook die grenst aan de zuidkant van de dijk en begint bij het licht, parallel loopt aan de dijk in noord/westelijke richting en eindigt 60 meter voorbij het afbuigen van de dijk, met een lengte van 750 meter en een breedte van 250 meter. De zuidelijke grens loopt parallel op 93 meter aan de kop van de steiger.

Bijlage 1: b Vlissingen: Van Cittershaven:

Het water dat grenst aan de noord/oost en zuid/oostelijke waterkering en omsloten wordt door de denkbeeldige lijnen getrokken vanaf de noord/oost waterkering naar de eerste meerpaal, parallel lopend aan de noord/oost waterkering tot het snijpunt van de denkbeeldige lijn ter hoogte van de Total steiger 1 parallel aan de zuid/oost waterkering. Deze lijn in zuid/westelijke richting voor 110 m volgend tot het snijpunt van deze denkbeeldige lijn met de lijn parallel aan de Total steiger 6/7 op een afstand van 50 m ten zuid/westen tot aan de zuid/oostelijke waterkering.

Bijlage 1: c Vlissingen: Quarleshaven:

Het gebied van de haven ten zuiden van de denkbeeldige lijnen gevormd door de punten A(51°27‟55”,90; 0342‟37”,20), B(51°28‟00”,44; 0342‟38”,33), C(51°28‟04”,45; 0342‟49”,19), D(51°28‟05”,09; 0342‟57”,74), E(51°28‟04”,41; 0343‟00”,30).

Bijlage 1: d Vlissingen: Sloehaven:

Het water dat wordt omsloten door de kade/oever en de denkbeeldige lijn gevormd door de punten : A(51°27‟07”,38; 0340‟48”,15), B(51°27‟09”,74; 0340‟42”,67), C(51°27‟22”,49; 0340‟56”,76), D(51°27‟20”,08; 0341‟02”,34). De totale lengte bedraagt 479 meter en de breedte varieert van 131 meter in het noord-oosten tot 128.5 meter in het zuid-westen.

Bijlage 1: e Vlissingen: Sloeboeien, Quarlesboeien en RoRopalen:

Het gebied bestaande uit een strook water van 40 meter rondom een direct en indirect aan de boeien of palen afgemeerd tankschip dat een gevaarlijke stof, met uitzondering van een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger, als lading of ladingresidu aan boord heeft;

Bijlage 1: f Terneuzen: Braakmanhaven en Dow Scheldesteiger :

Braakmanhaven:

Het water omsloten door de dijken ten zuiden van de denkbeeldige lijn getrokken tussen de oeverpunten A(51°20‟52”,63; 0345‟27”,58), B(het groene havenvuur), C(het rode havenvuur) en D(51°21‟00”,82; 0346‟16”,60). De containerkade in het zuid-westen hiervan uitgezonderd;

Dow Scheldesteiger:

Het gebied dat is beschreven door de denkbeeldige lijn aansluitend op de dijk getrokken tussen de punten A(51°20‟59”,16; 0347‟05”,48), B(51°21‟06”,10; 0347‟07”,89), C(51°21‟03”,36; 0347‟28”,08), D(51°20‟56”,17; 0347‟25”,59.

Bijlage 1: g Sluiskil: Steigers Yara Sluiskil:

Het water dat wordt omsloten door de kade/oever en de denkbeeldige lijn gevormd door de punten: A(51°16‟38”,88; 0350‟32”,54), B(51°16‟37”,94; 0350‟29”,68), C(51°16‟16”,32; 0350‟47”,66), D(51°16‟17”,68; 0350‟51”,80). De totale lengte bedraagt 753 meter en de breedte varieert van 62 meter in het noord-westen tot 90 meter in het zuid-oosten.

Bijlage 1: h Sluiskil: Palen Autrichehaven

Het gebied bestaande uit een strook water van 40 meter rondom een direct en indirect aan de palen afgemeerd tankschip dat een gevaarlijke stof, met uitzondering van een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger, als lading of ladingresidu aan boord heeft;

Toelichting Havenreglement Zeeland Seaports 2018

Het Havenreglement Zeeland Seaports 2018 (hierna: Havenreglement) is gebaseerd op artikel 10.1 van de Havenverordening Zeeland Seaports 2018 (hierna: Havenverordening). In dit artikel van de Havenverordening is bepaald met betrekking tot welke onderwerpen het Dagelijks Bestuur nadere regels stelt of kan stellen. In het Havenreglement wordt invulling gegeven aan deze nadere regels.

Artikelsgewijze toelichting

§ 1 Algemene bepalingen

Toelichting Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

Zie toelichting bij de Havenverordening Zeeland Seaports 2018.

Toelichting Artikel 2.1 Aanwijzing Petroleumhaven

Artikel 2.1 geeft de geografische omschrijving van de petroleumhavens waarbinnen een strenger regime geldt dan in de overige delen van de haven. De Roropalen in de Quarleshaven en de palenligplaats in de Autrichehaven zijn toegevoegd aan de aanwijzing als petroleumgebied. Deze aanwijzing als petroleumgebied geldt uitsluitend voorzover het direct en indirect aan deze boeienspannen en paalmering afgemeerde tankschip een gevaarlijke stof, met uitzondering van een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger, als lading of ladingresidu aan boord heeft. Als petroleumhaven geldt in dat geval ook de strook water van 40 meter rondom het afgemeerde tankschip. Deze regeling heeft als voordeel dat het gebruik van de boeienspannen en paalmering ook voor andere doeleinden dan het gebruik door tankschepen beschikbaar blijft. De status van de boeienspannen en paalmering wordt bepaald door de soort van het afgemeerde schip. Meert er een tankschip af met gevaarlijke lading, dan wordt de ligplaats een petroleumhaven en geldt daar ook het strenge petroleumregime, meert er een schip af anders dan een tankschip met gevaarlijke lading, dan wordt de ligplaats geen petroleumhaven en geldt er ook geen petroleumregime.

Toelichting Artikel 3.1 Stank of hinder veroorzakende stoffen

De in dit artikel genoemde lijst van stankstoffen is uitgebreid met een aantal stoffen die zogenaamd aanvullende risicobeheersende maatregelen behoeven. Deze laatst genoemde stoffen betreffen vooralsnog benzeen, benzeenhoudende mengsels met meer dan 10% benzeen en styrene. Deze stoffen waren voorheen in diverse artikelen genoemd en zijn nu samengebracht in deze lijst. Hierdoor kunnen deze stoffen elders in de regeling vervallen en staat de mogelijkheid open om in de toekomst daarvoor vatbare stoffen eveneens onder deze lijst te plaatsen. De oorspronkelijk in deze lijst geplaatste stankstoffen kunnen ook in zeer kleine concentraties leiden tot stankoverlast in de omgeving.

Toelichting Artikel 4.1Bouw- en uitrustingsvoorschriften dienstverlenend-, werk- of passagiersschip

Dit artikel stelt veiligheidseisen voor dienstverlenende schepen indien deze zich in een petroleumhaven bevinden.

Toelichting Artikel 4.2 Aanwijzing van bedrijven met ontvangstvoorzieningen

Nederland heeft op 2 juli 1983 het (gewijzigde) Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen geratificeerd. Dit zogenaamde Marpol-Verdrag heeft tot doel verontreiniging van de zee (en van de kusten) tengevolge van het lozen van schadelijke afvalstoffen van schepen te voorkomen.

Het betreft afvalstoffen, afkomstig uit de normale bedrijfsvoering aan boord, zoals olierestanten en oliehoudende mengsels, schadelijke vloeibare chemicaliën, gevaarlijke en voor het milieu schadelijke stoffen in verpakte vorm, sanitair afval en vuilnis. Het Marpol-Verdrag is geïmplementeerd in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs).

Op basis van het onderhavige artikel 10.6 kunnen bedrijven worden aangewezen als bedrijf met ontvangstvoorzieningen, zodat kan worden voldaan aan de wettelijke verplichting, bedoeld in de Wvvs, om zorg te dragen voor voldoende voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst nemen van restanten van schadelijke stoffen, afkomstig van zeeschepen, zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken. Daarbij kunnen 3 groepen van bedrijven worden onderscheiden: de overslagterminals en scheepsreparatiewerven, de bedrijven met een vaste inrichting aan de wal om de aangeboden schadelijke stoffen te ontvangen en eventueel te bewerken, te verwerken of te vernietigen en ten slotte de (transport)bedrijven die de afvalstoffen uitsluitend inzamelen met mobiele voorzieningen (lichters, voertuigen).

Een overslagterminal of scheepsreparatiewerf, die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van afvalstoffen, mag slechts afvalstoffen accepteren die afkomstig zijn van zeeschepen, die bij het bedrijf worden geladen, gelost of gerepareerd. Ter voorkoming van een te grote belasting van de zuiveringsinstallaties van deze bedrijven mogen zij, op basis van hun lozingsvergunningen, slechts afvalstoffen, die bij het laden, lossen of repareren van zeeschepen zijn ontstaan, in ontvangst nemen. Het spreekt voor zich dat bedrijven, die het in ontvangst nemen, bewerken, verwerken en vernietigen van afvalstoffen als hoofdbedrijf uitoefenen, door de aanwijzing ook verplicht zijn om alle aangewezen schadelijke afvalstoffen te accepteren. Transportbedrijven, zonder een vaste inrichting aan de wal voor het bewaren, bewerken of verwerken van afvalstoffen komen ook voor aanwijzing in aanmerking, mits zij ingevolge de milieuwetgeving gerechtigd zijn gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen of te bewaren. Deze bedrijven worden door de aanwijzing verplicht tot aflevering van de ingezamelde scheepsafvalstoffen aan een bedrijf dat op basis van de milieuwetgeving bevoegd is die stoffen te bewerken, verwerken of vernietigen.

Toelichting Artikel 4.3 Schoonmaakschepen en inzamelvaartuigen

Op een schoonmaakschip zijn verschillende wettelijke regimes van toepassing. Het schip moet in het bezit zijn van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of zijn opgenomen in de vergunning van de walinrichting. Het gebruik dient te voldoen aan de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (hierna: Wvvs). Zoals eerder vermeld is het regime van het havenreglement aanvullend van aard. De verhouding van artikel 4.3 van dit reglement ten opzichte van de genoemde wetten is als volgt.

Het begrip schadelijke en gevaarlijke stoffen in de zin van de havenverordening en dit reglement wijkt af van de begrippen in de Wet milieubeheer. De regels in en op grond van de Wet milieubeheer op het gebied van het schoonmaken van schepen hebben betrekking op „scheepsafvalstoffen‟ en „bedrijfsafvalstoffen‟. Dit reglement sluit met het begrip „schadelijke stoffen‟ aan bij de Wvvs en met het begrip „gevaarlijke stoffen‟ in de havenverordening wordt bedoeld de stoffen die staan vermeld in de IMDG-Code, de Bulk Chemical Code en het ADN. Daarnaast hanteert de havenverordening het begrip „scheepsafval‟ dat een brede omschrijving kent van al het afval afkomstig van een schip (bijv. ook alle vaste materialen).

De begripsomschrijvingen van de havenverordening en dit reglement omvatten dan ook meer stoffen dan de stoffen genoemd in en op grond van de Wet milieubeheer. De ontvangst van scheepsafvalstoffen (waaronder gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij schoonmaakwerkzaamheden) is door middel van een vergunningensysteem afdoende geregeld in het op de Wet milieubeheer gebaseerde Besluit inzamelen afvalstoffen. De voorschriften van artikel 4.3 van dit reglement zijn aanvullend van aard en hebben betrekking op de schoonmaakschepen. In dit artikel wordt het overkoepelende begrip „afvalstoffen‟ gebruikt waarmee alle afvalstoffen aan boord van een schoon te maken schip worden bedoeld. De definitie van dit begrip is opgenomen in artikel 1.1 van de havenverordening en dit havenreglement.

Het eerste lid van artikel 4.3 bevat de verplichting voor schoonmaakschepen om alle afvalstoffen die ontstaan bij het schoonmaken aan boord te nemen. Voor de ontdoener geldt op grond van de Wet milieubeheer de plicht om scheepsafvalstoffen af te geven aan een instantie die daarvoor een vergunning heeft. Het is wenselijk om een verplichting voor de schoonmaker op te nemen om alle aanwezige soorten afvalstoffen mee te nemen. Op die manier kan goed toezicht gehouden worden op de afvalstromen binnen de haven.

De voorschriften in het tweede en derde lid hebben betrekking op water dat door het schoonmaakschip opnieuw wordt gebruikt voor het schoonmaken van ladingruimen die leeg zijn van laatstelijk vervoerde droge lading. Deze bepalingen dienen ter versterking van het regime van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Wanneer de schoonmaakschepen voorzien zijn van voorraadtanks en doelmatige filterinstallaties wordt een eventuele prikkel om dit water te lozen op het oppervlaktewater weggenomen.

Op het zogeheten S-formulier (artikel 6, tweede lid, van de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen), waarop de ontvangst van afvalstoffen wordt aangegeven, moeten ook de afvalstoffen, ontstaan uit schoonmaakwerkzaamheden, worden genoteerd. Een afschrift van het ondertekende S-formulier met daarop aangegeven de ingenomen hoeveelheden afvalstoffen moet worden afgegeven aan het schoongemaakte schip. Vervolgens moet de exploitant van het schoonmaakschip periodiek een afschrift van het zogeheten stoffenregistratieformulier (waarop een overzicht staat van de op de verschillende S-formulieren genoteerde hoeveelheden ingezamelde afvalstoffen) aan de Havenmeester doen toekomen. Op deze wijze houdt de Havenmeester een goed overzicht van alle afvalstromen binnen de haven.

Toelichting Artikel 4.4 Erkenning bootliedenorganisatie

Dit artikel bevat de voorwaarden voor erkenning van een bootliedenorganisatie. Het bedrijf moet voorzien zijn van een ISO certificaat en beschikken over ten minste één continu bereikbaar meldpunt waar bootlieden kunnen worden besteld. Ook draagt het bedrijf zorg voor regelmatig overleg met andere nautische dienstverleners in de haven, zoals loodsen en havensleepdiensten. Het bedrijf draagt zorg voor een goede kwaliteit en kwantiteit van het personeel en het materieel, teneinde adequate diensten te kunnen verlenen. Dit houdt in dat in volcontinudienst, per uur, ten minste drie zeeschepen afzonderlijk in verschillende situaties wat betreft afmeting, type en locatie kunnen worden vast of losgemaakt. Tot slot verstrekt het bedrijf legitimatiebewijzen aan bootlieden.

Toelichting Artikel 4.5 Beroep en verplichtingen bootman

Dit artikel regelt de voorwaarden voor de uitoefening van het beroep bootman. De vergunning bootman is vervallen en vervangen door voorschriften genoemd in dit artikel. Alle eisen die worden gesteld aan het uitoefenen van het beroep bootman zijn in dit artikel opgenomen. De bootman moet ofwel een opleiding Bootman, vastgesteld door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, onder toekenning van registratiecode CREBO-25512, met goed gevolg hebben afgesloten of over relevante ervaring beschikken. Tevens moet hij zijn aangesloten bij een erkende bootliedenorgansatie.

In het tweede lid wordt bepaald dat de bootman voorzien moet zijn van een legitimatiebewijs en het toont op verzoek van personen of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken. Bedrijven of personen kunnen van deze bepaling gebruik maken voor het controleren van de bootman. Voor toezichthouders is deze bevoegdheid tot controle al geregeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

Toelichting Artikel 4.6 Erkenning sjorbedrijf

In dit artikel zijn de eisen opgenomen waaraan een sjorbedrijf moet voldoen om in aanmerking te komen voor een erkenning. De onderdelen a en b zien op de kwaliteit van de dienstverlening. Door het opnemen van onderdeel a wordt beoogd te voorkomen dat de scheepvaart onnodig oponthoud ondervindt, doordat er geen sjorders beschikbaar zijn voor het vastzetten of losmaken van containers. Door middel van onderdeel b, waarin de eis tot ISO-certificering is opgenomen, wordt gewaarborgd dat bedrijven met een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsvoering in de haven actief zijn. Op basis van onderdeel c is het sjorbedrijf verplicht ervoor zorg te dragen dat uitsluitend wordt gewerkt met sjorders die aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Deze eisen worden nader uitgewerkt in artikel 4.7. De erkenning kan worden ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden. Onderdeel d regelt dat aan sjorders door het sjorbedrijf een legitimatiebewijs wordt verstrekt dat is voorzien van een pasfoto en naam, geboorteplaats en geboortedatum vermeld. Tevens dient op het legitimatiebewijs de naam van het sjorbedrijf te staan.

Toelichting Artikel 4.7 Verplichtingen sjorders

Op basis van dit artikel dient de sjorder in de eerste plaats voldoende vakbekwaam te zijn. De sjorder moet zodanig vakbekwaam zijn dat de veiligheid van de sjorder zelf, het schip en de omgeving van het schip is gewaarborgd. Om dit te waarborgen kan het beroep van sjorder uitsluitend worden uitgeoefend door degene die de opleiding Medewerker Havenoperaties, als opgenomen in het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld dossier, onder toekenning van registratiecode CREBO-93070, met goed gevolg heeft afgesloten.

In de tweede plaats dient het sjorbedrijf ervoor te zorgen dat zijn personeel voldoende betrouwbaar is. De sjorders moeten om die reden zijn voorzien van een verklaring omtrent het gedrag. Het sjorbedrijf controleert dit zelf.

Tot slot moet een sjorder voldoende herkenbaar zijn en is derhalve voorzien van een legitimatiebewijs, waaruit duidelijk blijkt bij welk sjorbedrijf hij werkzaam is en dat tevens enkele persoonlijke gegevens bevat. Door het opnemen van deze bepaling wordt het mogelijk te controleren of de sjorder werkzaam is bij een sjorbedrijf dat in het bezit is van een vergunning.

Toelichting Artikel 5.1 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen

Op grond van dit artikel dient aan de havenmeester onmiddellijk melding te worden gedaan van het te water raken van stoffen of voorwerpen, in verband met de veiligheid en het eventuele belemmeren van de vaarweg. Het opnemen van een verbod is niet noodzakelijk in verband met de werkingssfeer van de Waterwet, het BPR en andere gemeentelijke regelgeving. Vervolgens dient de stof of het voorwerp – voor zover mogelijk – onmiddellijk te worden verwijderd.

Toelichting Artikel 5.2 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade

Dit artikel bevat de verplichting voor schepen om alle bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan boord van een schip, die een gevaar voor het schip of de omgeving kunnen opleveren aan de havenmeester te melden. Een voorbeeld hiervan is het niet functioneren van de inert gas installatie op een tankschip. De bepaling is van toepassing op alle schepen.

Toelichting Artikel 5.3 Melding schade aan haveninfrastructuur

Dit artikel spreekt voor zich. Geen nadere toelichting

Toelichting Artikel 5.4 Melding Gebruik ankers

Op die wijze kan de havenmeester toetsen of ankeren op de aangegeven locatie mogelijk is.

Toelichting Artikel 5.5 Melding verrichten van werkzaamheden

Dit artikel regelt een meldplicht voor een schip dat voornemens is om scheepsreparatiewerkzaamheden uit te voeren buiten een werf of herstellingsinrichting. Reparaties aan schepen bij een werf of herstellingsinrichting vallen, met uitzondering van het ligplaats nemen, buiten de werking van het Havenreglement.

Toelichting Artikel 5.6 Melding ligplaatsnemen bunkerschip en dienstverlenend schip

Op die wijze kan de havenmeester toetsen of het ligplaatsnemen op de aangegeven locatie mogelijk is.

Toelichting Artikel 5.7 Melding binnenvaren petroleumhaven

Deze meldverplichting is opgenomen, zodat de havenmeester uit oogpunt van veiligheid noodzakelijke kennis heeft van de aanwezigheid van dienstverlenende, bagger- of werkschepen in het oliehavengebied. De havenmeester is hierdoor op de hoogte van de aanwezigheid en de uit te voeren werkzaamheden in het oliehavengebied en kan toetsen of deze schepen voldoen aan de bouw- en uitrustingseisen en of de activiteiten veilig plaats kunnen vinden.

Toelichting Artikel 5.8 Melding ligplaats tankschip buiten petroleumhaven

Dit artikel regelt de meldplicht voor binnentankschepen als bedoeld in artikel 5.6 tweede lid, onderdeel a van de havenverordening en zeetankschepen als bedoeld in artikel 5.7 eerste lid onderdeel a en tweede lid van de havenverordening voor het ligplaatsnemen neemt buiten een petroleumhaven.

Toelichting Artikel 5.9 Melding van overslag van gevaarlijke stoffen in bulk tussen tankschepen

Dit artikel regelt de meldplicht voor tankschepen die voornemens zijn gevaarlijke stoffen in bulk over te slaan.

Toelichting Artikel 5.10 Melding bunkeren of overpompen van brandstofolie of smeerolie

De meldverplichting aangaande het bunkeren van zeeschepen is uitgebreid met een meldplicht in verband met het terugpompen van bunkerolie van het zeeschip naar de bunkerlichter. Bunkeren of terugpompen leveren een soortgelijk risico op. Tevens is een meldverplichting opgenomen met betrekking tot het onderling overpompen van bunkerolie tussen bunkerschepen. Er bestaat ook een mogelijkheid dat het Dagelijks Bestuur van de verplichtingen vrijstelling verleend.

In de praktijk kan het voorkomen dat meerdere bunkerschepen tegelijkertijd een schip bevoorraden. In principe is dit niet bezwaarlijk. Echter hierdoor mag geen gevaar of hinder ontstaan voor de overige scheepvaart. Indien bijvoorbeeld twee bunkerschepen naast elkaar liggen op een plaats waar dit de scheepvaart hinder oplevert, kan het Dagelijks Bestuur een bunkerschip een aanwijzing op grond van artikel 11.1 havenverordening geven om (tijdelijk) elders te gaan liggen om hinder te voorkomen.

De melding vindt plaats aan: Havendienst Vlissingen, 0115 647444, VHF 9, hd@zeelandseaports.

Toelichting Artikel 5.11 Melding LNG-bunkeren

Door de meldverplichting van bunkeractiviteiten buiten een inrichting kan nagegaan worden of de activiteit past in de regelgeving en logistieke planning, maar de informatie wordt ook gebruikt voor het kunnen plannen van toezicht.

De melding vindt plaats aan: Havendienst Vlissingen, 0115 647444, VHF 9, hd@zeelandseaports.

Toelichting Artikel 5.12 Melding wassen of schoonmaken van ladingtanks

De melding vindt plaats aan:

Havendienst Vlissingen, T 0115 647444, F 0115 647445, VHF 9, hd@zeelandseaports.com

Havendienst Terneuzen, T 0115 682400, F 0115 630699, VHF11 of 3, rvkltern@rws.nl

In het vierde lid is een uitzondering opgenomen op de meldplicht. Wanneer sprake is van droogmaken kan een melding achterwege blijven. Dit vanwege het ongevaarlijke karakter van deze activiteit. De verplichting in het derde lid om de verplichte voorwas binnen een bepaald tijdsbestek te melden vloeit voort uit de verplichting uit het MARPOL-Verdrag om toezicht te houden op de voorwas.

Op grond van het vijfde lid moet het tijdstip van aanvang van een verplichte voorwas ten minste 30 minuten en ten hoogste 2 uur voor aanvang van het voorwassen aan de havenmeester worden gemeld. De havenmeester van NV ZSP is niet de instantie die deze voorwas aftekent en goedkeurt.

Toelichting Artikel 5.13 Melding schoonmaken door schoonmaakschepen

Voor aanvang van het schoonmaken dienen aan de Havenmeester via telefoon, marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, fax of e-mail de volgende gegevens te worden gemeld: naam van het schoonmaakschip; naam van het schoon te maken schip; waar het schoonmaken plaatsvindt; welke stoffen in de schoon te maken ruimten betreft; tijdstip aanvang van schoonmaken en verwachte duur.

De melding vindt plaats aan:

Havendienst Vlissingen, T 0115 647444, F 0115 647445, VHF 9, hd@zeelandseaports.com

Havendienst Terneuzen, T 0115 682400, F 0115 630699, VHF11 of 3, rvkltern@rws.nl

Toelichting Artikel 5.14 Melding langszij afmeren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen

Dit artikel regelt de meldplicht voor een schip dat voornemens is af te meren langszij een tankschip met gevaarlijke stoffen.

De melding vindt plaats aan:

Havendienst Vlissingen, T 0115 647444, F 0115 647445, VHF 9, hd@zeelandseaports.com

Havendienst Terneuzen, T 0115 682400, F 0115 630699, VHF11 of 3, rvkltern@rws.nl

Toelichting Artikel 5.15 Melding afzien gebruik diensten bootman

In verband met de toetsing of het afzien van het gebruik van de diensten van een bootman veilig en verantwoord is, dient de kapitein van het betreffende zeeschip dit minimaal één uur voor vertrek van of aankomst op de ligplaats te melden aan de havenmeester. Daarnaast werkt de havenmeester nauw samen met de bootliedenorganisaties, zodat de planning van hun inzet zo optimaal mogelijk plaats kan vinden. Deze melding is in alle gevallen verplicht ten behoeve van de toetsing en om onduidelijkheid over het wel of niet gebruik maken van de diensten van een bootman te voorkomen.

De melding vindt plaats aan:

Havendienst Vlissingen, T 0115 647444, F 0115 647445, VHF 9, hd@zeelandseaports.com

Havendienst Terneuzen, T 0115 682400, F 0115 630699, VHF11 of 3, rvkltern@rws.nl

Toelichting Artikel 6.1 Overgangsrecht

In artikel 6.1 wordt het overgangsrecht geregeld. In het eerste lid wordt bepaald dat afgegeven beschikkingen op basis van de in dit artikel bedoelde regelingen hun geldigheid behouden na inwerkingtreding van de onderhavige verordening onder de destijds geldende voorwaarden en beperkingen. Voorts zal een 3 jaar geleden afgegeven vergunning met een geldigheidsduur van 5 jaar, ook onder deze nieuwe Havenverordening, nog 2 jaar zijn geldigheid behouden. Men noemt dit “eerbiedigende werking”.

In het tweede lid wordt geregeld dat aanvragen om een toestemming welke vóór het inwerkingtreden van de Havenverordening zijn ingediend en waarop nog niet is beslist, dat deze aanvragen op grond van het nieuwe recht worden behandeld.

Het derde lid bepaalt dat als een bezwaarschrift is ingediend tegen een beschikking om een toestemming die is gebaseerd op de in artikel 16.1 bedoelde regelingen, dit bezwaarschrift wordt afgehandeld met toepassing van de Havenverordening Zeeland Seaports 2018 (het nieuwe recht wordt dus toegepast).

Toelichting Artikel 6.2 Inwerkingtreding

Dit artikel regelt dat het havenreglement gelijk met de havenverordening 2018 in werking treedt op 1 januari 2018

Toelichting Artikel 6.3 Citeertitel

Dit artikel regelt de citeertitel, te weten “Havenreglement Zeeland Seaports 2018”.