Ga naar de inhoud Ga naar het zoeken Ga naar het menu
Logo van Gemeente Vlissingen

Verordening Wmo & Jeugdhulp gemeente Vlissingen

Originele publicatie downloaden:
Link naar originele publicatie:
Type bekendmaking:
Verordeningen
Publicatiedatum:
maandag 2 december 2019



Verordening Wmo & Jeugdhulp gemeente Vlissingen

 

De raad van de gemeente Vlissingen ;

 

Gelezen het voorstel van november 2020;

 

Gelet op het bepaalde in de Wmo 2015 en de Jeugdwet;

 

B e s l u i t :

 

Vast te stellen de volgende Verordening Wmo en Jeugdhulp gemeente Vlissingen 2020.

 

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen en algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • -

      Algemeen gebruikelijke voorziening: Voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en die niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen.

    • -

      Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand diepgaand zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp.

    • -

      Bijdrage: Bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo.

    • -

      Cliënt: Persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt en door of namens wie een melding is gedaan. De persoon kan ook een jeugdige en/of zijn ouders zijn.

    • -

      Financiële tegemoetkoming: Een op het individu toegesneden voorziening in de vorm van een geldbedrag dat wordt ingezet om meerkosten te vergoeden.

    • -

      Gebruikelijke hulp en ondersteuning: De zorg, hulp en begeleiding die huisgenoten normaal gesproken aan elkaar geven.

    • -

      Melding: Melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo en melding van een hulpvraag op grond van de Jeugdwet.

    • -

      Ondersteuningsplan: Het ondersteuningsplan is een document waarin staat:

      • *

        een beschrijving van de situatie van de cliënt en het sociale netwerk;

      • *

        een beschrijving van de krachten, de zorgen, de wensen en behoeften van de cliënt en het sociale netwerk;

      • *

        de te behalen doelen (resultaten) op alle leefgebieden van de cliënt en het sociale netwerk; en

      • *

        welke ondersteuning, zorg en jeugdhulp daarbij nodig is.

    • -

      Onder dit begrip kan ook het familiegroepsplan zoals bedoeld in artikel 4.1.2 van de Jeugdwet vallen.

    • -

      Op het individu toegesneden voorziening: Een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 of een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet.

      Maatwerkvoorziening (Wmo) = aanbod van diensten, hulpmiddelen of activiteiten dat, alleen na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, middels een beschikking toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

      Individuele voorziening (Jeugdwet) = aanbod van diensten, hulpmiddelen of activiteiten dat, alleen na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, middels een beschikking toegankelijk is en dat is gericht op jeugdhulp.

    • -

      PGB: Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wmo, zijnde een door het college verstrekt budget, waarmee de cliënt in staat wordt gesteld de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp die tot de op het individu toegesneden voorziening behoort, van derden te betrekken.

    • -

      (Wettelijk) voorliggende voorziening: Een voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet of Wmo, op het gebied van zorg, onderwijs of werk en inkomen, die passend is ter ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo, de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 Procedureregels

Artikel 2 Proces van de melding, aanvraag tot beschikking

  • 1.

    Een hulpvraag kan door de cliënt bij het college worden gemeld. Met het indienen van een hulpvraag ontstaat er een melding.

  • 2.

    Indien mogelijk wordt de melding van de cliënt direct beantwoord of wordt er doorverwezen.

  • 3.

    Als directe beantwoording of doorverwijzing niet mogelijk is, wordt een afspraak gemaakt voor het voeren van een gesprek. Dit kan door middel van een huisbezoek of een afspraak op een van de loketten. De afspraak wordt bevestigd per mail of brief.

  • 4.

    Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt en, voor zover mogelijk, zijn mantelzorger en, voor zover nodig,zijn sociale netwerk. Indien de cliënt dit wenst is ook de onafhankelijke cliëntondersteuner aanwezig. Tijdens het gesprek vindt vraagverheldering plaats. Daarbij wordt gesproken over de ervaren problemen, de mate waarin voor de problemen oplossingen mogelijk zijn bij voorliggende voorzieningen en welke oplossingsmogelijkheden er nog zijn. Daarnaast wordt uitleg gegeven over de eventueel te betalen eigen bijdrage en het verdere verloop van de procedure.

  • 5.

    Op basis van het gesprek wordt een verslag gemaakt, in het format van het ondersteuningsplan. Indien nodig wordt, via de cliënt, nog nadere informatie gevraagd. Het ondersteuningsplan wordt aangevuld met de visie van het college en vervolgens naar de cliënt gestuurd.

  • 6.

    De cliënt ondertekent het ondersteuningsplan, al dan niet voorzien van een zienswijze. Met de ondertekening van het ondersteuningsplan ontstaat er een aanvraag voor op het individu toegesneden voorzieningen.

  • 7.

    Na ontvangst van de aanvraag stuurt het college de beschikking. In een toekennende beschikking staat ook vermeld op welk moment de ondersteuning en zorg zoals bedoeld in artikel 2.3.9 Wmo en 8.1.3. Jeugdwet geëvalueerd wordt.

Artikel 3 Aanvraag van op het individu toegesneden voorziening

  • 1.

    Door of namens een cliënt kan met een ondertekend ondersteuningsplan een aanvraag voor op het individu toegesneden voorziening worden ingediend.

  • 2.

    Het college verzamelt alle informatie die van belang is voor de aanvraag.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen kan het college na de melding direct een tijdelijke op het individu toegesneden voorziening treffen, voordat een beschikking wordt afgegeven.

Artikel 4 Dialooggestuurde aanpak van de melding en aanvraag

  • 1.

    Het college bepaalt in samenspraak met de cliënt de benodigde op het individu toegesneden voorziening.

  • 2.

    Voor het tempo van de besluitvorming is de wettelijke termijn uitgangspunt. Indien er omstandigheden zijn waardoor de wettelijke termijn wordt overschreden gebeurt dit met instemming van de cliënt.

  • 3.

    De cliënt bepaalt indien mogelijk in overleg met het sociale netwerk en de professionals samen de rollen, functies en de daarbij behorende verantwoordelijkheden rondom de cliënt en zijn hulpvraag alsook de mogelijke inzet voor voorliggende voorzieningen. Dit wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan.

  • 4.

    Het op- en afschalen van de benodigde hulp, de op het individu toegesneden voorziening en het arrangement van voorzieningen wordt door de cliënt, het sociale netwerk en de leden van het professioneel netwerk, zoals bedoeld in het ondersteuningsplan, aan elkaar gemotiveerd en vastgelegd in het ondersteuningsplan.

  • 5.

    De cliënt en met diens toestemming, behoudens uitzonderingen, het sociale netwerk en de professionals delen, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, de noodzakelijke informatie gedurende de periode dat de dialooggestuurde aanpak van kracht is. De informatie die gedeeld wordt is bedoeld om te kunnen beoordelen wat er nodig is om veilig te kunnen opgroeien, de zelfredzaamheid en participatie van mensen te vergroten, zodat zij zich kunnen handhaven in de samenleving.

  • 6.

    Het college ziet er op toe dat de cliënt, het sociale netwerk en de professionals alert zijn op groei en terugval tijdens de uitvoering van het ondersteuningsplan. Dit is zwaarwegend indien er sprake is van een midden of hoog risico en er twijfels zijn over de veiligheid.

  • 7.

    Het college bepaalt in samenspraak met de cliënt, het sociale netwerk en de professionals, de termijnen voor opvolging en monitoring.

Artikel 5 Advisering

Het college kan extern advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag voor een op het individu toegesneden voorziening.

Hoofdstuk 3 Criteria voor een maatwerkvoorziening Wmo

Artikel 6 Criteria

  • 1.

    Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 van de Wmo bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

  • 2.

    Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 3.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de best passende adequate voorziening. Als er meerdere voorzieningen zijn waarmee een passende bijdrage geleverd kan worden, gaat de goedkoopste voor.

Hoofdstuk 4 Beschermd wonen

Artikel 7 Maatwerk beschermd wonen

Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 van de Wmo bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget

Artikel 8 Criteria Persoonsgebonden Budget

  • 1.

    Het college verstrekt een persoonsgebonden budget met in achtneming van artikel 2.3.6 Wmo 2015 en artikel 8.1.1 Jeugdwet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6., tweede en vijfde lid van de Wmo en artikel 8.1.1, tweede lid en vierde lid van de Jeugdwet, verstrekt het college geen PGB voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    Het tarief voor een PGB:

    • a.

      is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen;

    • b.

      bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie de best passende adequate op het individu toegesneden voorziening in natura. Als er meerdere voorzieningen zijn waarmee een passende bijdrage geleverd kan worden, gaat de goedkoopste voor.

  • 4.

    De hoogte van een PGB voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.

  • 5.

    De hoogte van een PGB:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het PGB gaat besteden. Dit plan is onderdeel van het ondersteuningsplan.

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 6.

    De budgethouder is verplicht bij het aangaan van diensten om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank.

Artikel 9 Voorwaarden PGB ten behoeve van sociaal netwerk

  • 1.

    Het PGB mag in het kader van de Jeugdwet enkel gebruikt worden om het sociale netwerk te betalen als dit leidt tot een betere en effectievere ondersteuning. Dit wordt bepaald aan de hand van de volgende afwegingscriteria:

    • a.

      het type hulp dat wordt geleverd,

    • b.

      de frequentie van de hulp,

    • c.

      of er sprake is van een tijdelijke hulpvraag of van hulp over een lange periode,

    • d.

      de mate van verplichting: kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk? Dit aspect wordt gezien als zwaarwegend punt.

    • e.

      heeft de persoon aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt?

  • 2.

    Het PGB mag niet gebruikt worden om tussenpersonen en belangenbehartigers te betalen.

Artikel 10 Voorwaarden PGB in het kader van Wmo en Jeugdwet m.b.t. tarief

  • 1.

    Voor inhuur van het sociaal netwerk geldt een tarief van € 26,- per uur. Dit is gemaximeerd tot een modaal jaarsalaris voor dat jaar. Hiervoor wordt het (door het CPB geschatte) modale salaris voor dat jaar gebruikt. Dit tarief geldt voor alle producten met uitzondering van huishoudelijke hulp. Het bedrag kan jaarlijks door het college worden geïndexeerd.

  • 2.

    Voor huishoudelijke hulp geldt het laagste tarief van een algemeen gebruikelijke voorziening van een zorgaanbieder.

  • 3.

    Personen in de 1e en 2e graad van de zorgvrager kunnen met een PGB nooit als professional worden betaald, ook al heeft deze persoon een geschikte opleiding. Het tarief is dus altijd dat voor inhuur sociaal netwerk.

Artikel 11 Tegengaan oneigenlijk gebruik

Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van PGB’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

  • a.

    beperking van de looptijd van de indicaties, alsmede periodieke controles bij langlopende indicaties, zodat kan worden bezien of de indicatie van de cliënt, alsmede zijn PGB-budget, nog past bij zijn individuele situatie;

  • b.

    een grondige toets aan de voorkant:

    • op de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt daarvoor wenst in te schakelen;

    • op de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt te overleggen zorg- en budgetplan, mede met het oog op de te bereiken resultaten;

  • c.

    monitoring van het gebruik van het PGB en de behaalde resultaten.

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten

Artikel 12 Bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s

  • 1.

    De cliënt is een bijdrage in de kosten Wmo verschuldigd voor een maatwerkvoorziening Wmo of een PGB, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het PGB wordt verstrekt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de maatwerkvoorziening Noodfonds Mantelzorg.

  • 3.

    De bijdrage van de maatwerkvoorzieningen of PGB zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,- per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwden cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4.a, vijfde lid, van de Wmo geen of een lagere bijdrage verschuldigd is.

  • 4.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, lid 7 van de Wmo (opvang en beschermd wonen), worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of PGB door het CAK vastgesteld en geïnd.

  • 5.

    Indien een maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt en er een eigen bijdrage wordt opgelegd, dan is deze verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 6.

    Het product collectief vervoer wordt uitgezonderd van het abonnementstarief. Er wordt dus geen bijdrage via het CAK in rekening gebracht. Gebruikers betalen wel een ritprijs die vergelijkbaar is met het openbaar vervoer.

Artikel 12a Bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten van het gebruik van de was- en strijkservice, ter hoogte van € 4,- per week. De cliënt mag maximaal twee keer per week was aanbieden, ongeacht het volume

Artikel 13 Kostprijs

De kostprijs van een:

  • a.

    maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

  • b.

    maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening;

  • c.

    PGB is gelijk aan de hoogte van het PGB.

Hoofdstuk 7 Herziening en intrekking

Artikel 14 Intrekking en herziening beslissing

  • 1.

    Het college kan op grond van artikel 2.3.10 lid 1 Wmo of artikel 8.1.4 lid 1 Jeugdwet een beslissing intrekken of herzien.

  • 2.

    Een beslissing tot verlening van een PGB kan worden ingetrokken als blijkt dat het PGB binnen 6 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van ondersteuning, zorg of jeugdhulp waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 15 Vormen van Jeugdhulp

De volgende vormen van voorzieningen zijn beschikbaar:

  • Ambulante jeugdhulp

  • Daghulp

De volgende hoofdvormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

  • Residentiële jeugdhulp

  • Pleegzorg

Het college bepaalt in de nadere regels de beschikbare vormen van jeugdhulp binnen deze hoofdvormen.

Artikel 16 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Wmo

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 16a Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      1° een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      2° de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

      Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid.

Artikel 17 Klachtregeling Wmo

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 18 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Wmo

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en geweldsincidenten.

Artikel 19 Financiële tegemoetkoming

  • 1.

    Het college bepaalt in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming wordt verstrekt. Ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt, als een cliënt aantoonbare of aannemelijke meerkosten heeft die direct het gevolg zijn van beperkingen of (chronisch)-psychische problemen of psychosociale problemen.

  • 2.

    De tegemoetkoming kan in ieder geval worden verstrekt voor meerkosten in verband met:

    • vervoer;

    • wonen;

    • zich verplaatsen in en om de woning.

  • 3.

    Bij het vaststellen van de tegemoetkoming weegt het eigen aandeel mee in het vaststellen van de hoogte van het bedrag en de wijze van verstrekken.

Artikel 20 Waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 21 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende ondersteuning, zorg en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen van de gemeente vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende ondersteuning, zorg en jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede lid.

Hoofdstuk 9 Intrekking en inwerkingtreding verordening

Artikel 22 Intrekking en overgangsbepalingen

  • 1.

    Op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening Wmo&Jeugdhulp gemeente Vlissingen 2017 ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening, onder dezelfde voorwaarden waaronder ze zijn verstrekt en onverminderd de rechten en verplichtingen die daaraan zijn verbonden, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening Wmo&Jeugdhulp gemeente Vlissingen 2017.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Wmo&Jeugdhulp gemeente Vlissingen 2017, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 23 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wmo en Jeugdhulp gemeente Vlissingen 2020.

Vlissingen, 21 november 2019.

De raad van de gemeente Vlissingen,

De griffier, De voorzitter,