Laat de tekst voorlezen met Readspeaker

Jacob Hobein haalde een stout staaltje uit

Het handschrift van Jacob Hobein

Op 19 maart 1831 - dit jaar 175 jaar geleden - haalde Jacob Hobein op de Westerschelde een stout staaltje uit.
Een tijdje geleden verwierf het Gemeentearchief Vlissingen een handschrift waarin Jacob Hobein zijn levensverhaal vertelt, waaronder het beroemde verhaal over het redden van de Nederlandse vlag op de Westerschelde in 1831. Welke Vlissinger kent Jacob Hobein niet schreef archivaris Van Grol in de Vlissingsche Courant van 18 maart 1931. In 2006 zal dit aantal danig geslonken zijn, al kennen de meeste Vlissingers natuurlijk de Hobeinstraat. Tijd voor een hernieuwde kennismaking.

Graf en Gedenkteken
In het plantsoen tegenover het Streekziekenhuis Walcheren aan de Koudekerkseweg ligt het graf met gedenkteken van Jacob Hobein. Op de verticale achterzerk staat te lezen: ‘Hier ligt Jacob Hobein, die als matroos 2e klasse op den 19den maart 1831 onder een hevig vijandelijk geweervuur de Nederlandsche vlag uit ’s vijands hand redde, en zwemmende terugbracht aan boord der kanonneerboot no. 30.’ Onder de inscriptie is een model sloep uit die tijd afgebeeld, waarover de Nederlandse vlag ligt. Bij de dood van Hobein in 1888 legden Marinepersoneel en loodsen geld bij elkaar om het gedenkteken te kunnen oprichten. In mei 1890 volgde de onthulling en overdracht aan het gemeentebestuur van Vlissingen.

Heldendaad
Wat is nu eigenlijk de verdienste van Jacob Hobein? Hij was in 1810 in Den Haag geboren en ging na de dood van zijn moeder al op 13 jarige leeftijd naar zee. In 1830 volgde bevordering tot matroos 2e klasse. In marinedienst was hij veelal te vinden op de Westerschelde.
De periode 1830-1839 staat bekend als de Belgische opstand, een tijd waarin België haar zelfstandigheid bevocht en dit ten koste van Noord-Nederland realiseerde.
Op 19 maart 1831 lag Hobein met een kanonneerboot en enkele andere schepen tussen Biervliet en Philippine. Een sloep met de Nederlandse vlag dreigde in handen van de Belgische opstandelingen te komen. Een poging door twee manschappen dit te verhinderen mislukte. Toen de vraag aan Hobein gesteld werd om de sloep met vlag terug te halen bedacht hij zich geen moment. Zelf zegt hij in het handschrift:

‘Ik nam zulks aan, ik was nogal niet van een klein gerugje bevreest en van terug te komen dat had ik nooit gedaan. Maar toch spande het er aan, want ik was wel eerst aan het water, maar kwam er weder uit om mijn broek uit te doen en mijn zwarte doek stijf aan het lijf te doen; liep en beetje boven de stroom op om niet teveel af de drijven, want zwem ik mis, dan is er geen redden meer voor mij, ik moet verdrinken.
Ik kreeg hem juist van achter te pakken, klom er in haalde het touw binnen boord…’


Vervolgens bracht Hobein de sloep met vlag, wimpel en wapens terug naar de kanonneerboot waar het ‘volk een driewerf hoeraa gaven’. Opmerkelijk is dat in de meeste overleveringen sprake is van het redden van de vlag, terwijl Hobein zelf schrijft ook de sloep teruggebracht te hebben. Zes weken na de heldendaad van Van Speyk (wie kent hem nog?) bleef ook de heldenrol van Hobein niet onopgemerkt. Om het moreel van de troepen hoog te houden waren dergelijke zelfopofferingacties een voorbeeld voor iedereen. Als beloning werd Hobein onderscheiden met de Willemsorde. Van de latere koning Willem II ontving hij een gouden zakhorloge met ketting. Van een Amsterdams genootschap kreeg hij een zilveren tabaksdoos evenals van de Stedelijke Schutterij van Rotterdam. Beide tabaksdozen zijn in de loop van de tijd geschonken aan het muZEEum te Vlissingen. Vervolgens doorliep hij verschillende rangen van stuurman en verbleef hij vaak in Oost. Hij eindigde als commandant van een marineopleidingsschip in Groningen. Na zijn pensionering in 1871 koos hij Vlissingen tot woonplaats, waar hij in 1888 overleed.

Het handschrift
Het handschrift bestaat uit een katern van 16 tweezijdig beschreven velletjes ruitjespapier. Hierin doet Hobein zijn leven uit de doeken tot circa 1855. Het eerste deel van het katern verkeert in zeer slechte staat en dient gerestaureerd te worden. Het papier dateert dan ook uit de ‘bedreigde periode’ 1840-1950, een tijd waarin met zuur papier werd gewerkt.

Zie: H.G. van Grol, ‘Jacob Hobein 1831-19 maart-1931’ in: Vlissingsche Courant

fotoboeken zie ook
Gemeentearchief

Studiezaal
Ma. t/m do.: 9.00-16.30 uur

Telefonisch 0118-487331
Ma. t/m vr.: 9.00-16.30 uur